Johannes Vermeer

Johannes Vermeer (1632-1675) was gespecialiseerd in moraliserende genrestukken. Maar hij schilderde heel weinig. En het schijnt dat hij zijn grote familie onderhield met andere beroepen. Hij was naast schilder ook herbergier en kunsthandelaar.

Tegenwoordig is Johannes Vermeer een van de beroemdste Nederlandse schilders uit de 17de eeuw, maar eeuwenlang was hij nauwelijks van betekenis. Het kleine oeuvre dat nu van hem bekend is, werd lange tijd aan anderen toegeschreven. Pas in de jaren 70 van de 19de eeuw werd hij herontdekt.

Vermeer onderscheidde zich van zijn tijdgenoten omdat hij licht zo goed kon weergeven. Daarnaast gebruikte hij ongewone kleurcombinaties. Geel en blauw overheersten, zoals bij het Melkmeisje, maar ook het Meisje met de parel. Die heldere lichtheid bereikte hij door een nieuwe techniek die hij zelf heeft ontwikkeld. Gedeeltelijk was dit gebaseerd op optische experimenten. Maar hij deed dit vooral door middel van observatie en intuïtie. Vermeer zijn methode om lichtsprankelingen te vangen is uniek. Hij deed dit in minieme, parelachtige stipjes naast de contouren van voorwerpen. En door zijn gelijkmatige verdeling lijken die oppervlakken nog meer op glaspanelen.

Johannes Vermeer in Barok

De kunst en cultuur van de zeventiende eeuw noemt men ‘barok’. De term komt uit Italië. Het was eerst een scheldwoord. Het werd gebruikt om kunstwerken die geen klassieke proporties zouden hebben te kleineren. Onder andere omdat in de barokkunst allerlei soorten beweging te vinden is. Fysieke, emotionele en spirituele. De symmetrie en verhoudingen van de Renaissance zijn minder duidelijk te zien. De kronkelende vormen, felle kleuren en vaak dramatische contrasten tussen licht en donker zijn meer herkenbaar.

Kunst uit de barok stond open voor politiek gebruik. Ook kwamen er veel sekte gerelateerde conflicten terug in barok. Veel van de meesterstukken zijn de vieringen van macht en spirituele orthodoxie.

Een steeds grotere groep mensen hield van stillevens, genrestukken en landschappen in de barokperiode. Schilders maakten de schilderijen daarom vaak op doeken die in privé-verblijven konden worden opgehangen. Deze ontwikkelingen zijn het beste te zien in de Gouden Eeuw van de Nederlandse kunst. Stads- en zeegezichten, interieurs en stillevens waren nog nooit zo populair geweest, zo ook bij Johannes Vermeer.

Bronnen:
Algemene kunstgeschiedenis – Hugh Honour & John Fleming
KUNST begrijpen – Stephen Little
Rijksmuseum